In afwachting van verdere behandeling

Ze werkte met veel plezier in de zorg. Toch wilde ze verder om zich heen kijken en solliciteerde naar een baan als Hoofd van een Verpleeghuis. ‘En toen ging er tegelijkertijd van alles mis. Mijn vader overleed plotseling, mijn relatie liep stuk en mijn nieuwe collega’s lieten me duidelijk merken dat ze me niet mochten. Toen barstte de bom. En die bom was ikzelf.’

“In het verpleeghuis merkte ik al snel dat er een akelige werksfeer heerste, vijandelijk zelfs. Collega’s probeerden me zelfs onderuit te halen. Tel daarbij op de plotselinge dood van mijn vader en mijn vriendin die bij me wegging. Daarmee vielen drie van de vier pijlers in een keer weg. Op één pijler houdt niemand het lang vol. En dus viel ik om. Genadeloos.

Van burn-out naar opname

In eerste instantie leek het op een burn-out. Ik werd in een herstellingsoord opgenomen om helemaal tot rust te komen. Al snel merkte ik dat ik meer nodig had dan rust alleen. Ben toen een paar maanden opgenomen op een psychiatrische afdeling. Daarna volgde een jaar nabehandeling. Helaas mocht het allemaal niet baten. De afgelopen 19 jaar ben ik vier keer opgenomen geweest omdat ik suïcide wilde plegen. Alle keren mocht ik maximaal zes weken blijven. Ook deze opname is naar aanleiding van poging tot suïcide.

Ik moet eerlijk bekennen dat het nooit de bedoeling was dat het zou lukken. Maar de eenzaamheid. De wanhoop. Ik wist niet meer waar ik het zoeken moest. Mijn vrouw schrok zich bij de eerste poging wezenloos. De tweede en derde keer was ze heel boos. Na de vierde keer heb ik haar moeten beloven dat ik geen nieuwe poging zou doen – ook al heb ik opnieuw suïcide gedachten.
Toen het in 1997 helemaal mis ging stond ik er alleen voor. Gelukkig zijn Hanny* en ik alweer 15 jaar samen. Natuurlijk ben ik bang dat ze een ‘normale’ vrouw wil, zonder al deze ellende. Zij zegt dan: “dit ben jij, ik ken je niet anders.” Het spreekt voor zich dat mijn ziekte invloed op ons gezamenlijke leven heeft. We zouden drie maanden naar Spanje gaan. Hanny is namelijk vervroegd met pensioen. We moeten het reizen uitstellen tot ik weer beter ben.

Vriendennetwerk essentieel

Ondanks alles ben ik dankbaar voor ons grote vriendennetwerk. We hebben een redelijk sociaal netwerk opgebouwd. Het mooiste voorbeeld daarvan is dat ik elke zaterdag door iemand anders word opgehaald. Daardoor kan Hanny op zaterdagochtend gewoon blijven sporten. Dat is belangrijk voor haar. Eigenlijk heeft onze vriendenkring een soort chauffeursrooster in elkaar geknutseld. Heel bijzonder, heel ontroerend. Bij thuiskomst drinken ze nog een kop koffie bij mij en dan gaan ze weer. Niemand heeft ooit om een cent benzinegeld gevraagd. Als ik over een tijdje definitief naar huis mag, ga ik iets voor ze organiseren. Een speciale high tea of zoiets. Hun betrokkenheid is niet uit te drukken in een tegenprestatie. Mensen willen echt graag helpen, iets dóén.
Definitief naar huis… ik wou dat dat kon. Je verhospitaliseert. Echt, iedereen. Ik misschien iets meer omdat ik hier al zo lang ben. Mocht het zo ver komen dat ik naar huis ga, dan zal ik op z’n minst een soort overgangsprogramma moeten hebben. Ik kan niet ineens van alles naar niets. Maar zodra ik kan pak ik mijn koffer. Op voorwaarde dat ik stabiel ben.

Zoveel soorten medicatie

Door de jaren heen heb ik heel wat medicatie gehad. Van moderne antidepressiva tot ouderwetse MAO-remmers. Van alle soorten die ik kreeg is er niet eentje die echt hielp. De enige uitzondering was lithium. Daar knapte ik helemaal van op. Helaas was dat van korte duur. Een van de bijwerkingen van lithium is dat je problemen kunt krijgen met je schildklier. En dat gebeurde. Op dit moment slik ik een pil waar een streng dieet aan vastzit. Ook moet je constant je bloeddruk in de gaten houden. Voordat je mocht starten moest er zelfs een hartfilmpje worden gemaakt. En drie keer raden: tot mijn grote verdriet doet ook deze soort niks. Ik blijf ontzettend depressief. Binnenkort maken we de balans op. Eerlijk gezegd weet ik de uitkomst al… Dan is ECT (Elektro Convulsie Therapie) nog de enige optie. Echt bang ben ik daar niet voor. Wat moet, dat moet. Wel spannend natuurlijk. Ik bedoel: zo’n therapie bestaat uit een hele cyclus van 10 of 12 behandelingen. Twee of drie keer per week onder narcose. Kans op tijdelijk geheugenverlies. Maar ik neem het allemaal voor lief. Als het maar helpt!

“Genezen in de zin van het woord is niet mogelijk. Maar beter worden dan dit… ik heb er écht alles voor over.”

De diagnose is vastgesteld op bipolaire stoornis type 2. Verschil met type 1 is dat ik nooit manisch ben geweest. Wel hypomaan. Helaas duurt zo’n periode veel te kort. Of ik erfelijk ben belast weet ik niet. Ik weet wel dat het vroeger niet gemakkelijk was. Mijn moeder was alcoholiste. Ik wil daar liever niet teveel over kwijt. Ik ben ervan overtuigd dat als je als kind teveel stress hebt, dat invloed heeft op de chemische stofjes in je hoofd. Ik weet dat er allerlei wetenschappelijke onderzoeken naar worden gedaan.

Menselijk

Alles bij elkaar heb ik tot dusver behoorlijk wat meegemaakt. En ik kan alleen maar zeggen dat ik erg onder de indruk ben van hoe iedereen hier samenwerkt. Alles in overleg. Petje af. In de oude klinieken waar ik zat sukkelde het maar door. Neem de broodmaaltijd. Vreselijk. Samen boodschappen doen en tafel dekken. En een meneer die hielp met het maken van een noodplan – alsof ik die nog niet had. Wat een zooitje was het daar. Wat dat betreft ben ik blij met alle betrokken mensen hier om me heen. Een heel team staat voor je klaar. Elke dag komt een verpleegkundige me vertellen: “vandaag ben ik jouw verpleegkundige. Je kunt me alles vragen.” Zo kan het dus ook. Dat je als mens wordt behandeld. En zo hoort het ook.”

 

* De naam Hanny is vanwege privacyredenen gefingeerd.