Een familiegeschiedenis vol trauma’s – van veilig zwijgen naar bevrijdend delen

Als je zoals Yvonne* (55 jaar) opgroeit in een omgeving zonder veilige basis, dan overleef je door stil en onzichtbaar te blijven. Later leerde ze als hulpverleenster de warmte en het luisterend oor te bieden die ze zelf als kind had moeten missen. Maar haar verzwegen trauma ging niet weg en bleef een bron van spanning en onrust. Tot ze twee jaar geleden de moed vond om de verstikkende ban te doorbreken.

“Mijn vader heeft in het verzet en in een concentratiekamp gezeten en had een groot oorlogstrauma. Hij was daarna met periodes helemaal in de war en kreeg psychoses, die heel erg beangstigend waren. Wij moesten dan soms met de hele familie het huis uit vluchten. Hij is ook heel vaak opgenomen geweest. Uiteindelijk heeft mijn vader zich gesuïcideerd – ik heb hem zelf gevonden…

Mijn moeder had een incesttrauma. Haar moeder – mijn oma – was gescheiden en woonde bij ons in huis. Ik denk dat zij altijd geweten heeft dat mijn moeder seksueel misbruikt was, maar daar werd niet over gesproken. De impact daarvan was groot, nog groter dan van mijn vader. Er was altijd spanning, ik liep altijd op mijn tenen. Als kind zocht ik naar liefde en waardering, maar ik kreeg het gevoel dat ik het nooit goed genoeg deed. Ik probeerde altijd maar grapjes te maken, alles weg te lachen. Mijn privéleven stopte ik weg. Vooral zorgen dat mensen niet vragen hoe het met je gaat, want dat kon niet.

Nadat mijn vader was overleden kregen we een oom over de vloer. Die gaf mij en mijn zussen nog een tijd ‘seksuele voorlichting’. Dat kwam er nog eens als een enorm trauma bovenop.

Een eigen gezin en werk als hulpverlener

Ik ging al jong uit huis, op zeventienjarige leeftijd. Toen ik achttien was heb ik mijn man ontmoet. Een heel zorgzame man, mijn steun en toeverlaat. Vanaf dat moment is mijn leven stabiel geraakt. We kregen twee zoons die nu begin twintig zijn.
Na mijn opleiding ben ik als verpleegkundige gaan werken. Ik werk nu op de plek waar mijn vader twintig jaar regelmatig als patiënt zat. Daar gaan werken was voor mij een soort exposure. Ik heb met kleine stapjes ook aan mezelf gewerkt, maar niet openlijk. Ik dacht: “dat kan ik dragen, ik stop het weg”. Maar ik heb mezelf uitgeput en ben uiteindelijk helemaal in een burn-out geraakt. Ik kon het niet meer verbloemen, kon er niet meer onderuit. Ik dacht ik moet die twee werelden – die van hulpverlener en die van psychiatrisch patiënt – met elkaar verbinden. Toen ben ik zelf in behandeling gegaan.

Traumaverwerking: schrijven, praten en EMDR

Ik trof een heel vriendelijke en warme klinisch psychologe, zij heeft mij over de drempel geholpen. Eerst kon ik alleen maar huilen. Ik heb alles opgeschreven en vervolgens aan de psychologe en aan mijn man en kinderen verteld. En elke keer heb ik zó gehuild. Toen dacht ik “Zo, dat heb ik verwerkt” en toen zijn we met EMDR (Eye Movement Desensitization and Reprocessing, red.) begonnen. Dit is een therapie voor mensen die last blijven houden van de gevolgen van een schokkende ervaring. Lees meer over EMDR.

EMDR is echt heel goed geweest. Ik ben erg onder de indruk van de emoties die daar bij vrijkomen. Ik kon beschrijven hoe ik mijn vader heb gevonden en wat ik daar allemaal bij dacht. Het duurde wel een tijd voordat het weer rustig in mijn hoofd werd. Ik dacht nog maanden “Het komt niet goed, ik kan misschien wel nooit meer werken.” Het was zo hopeloos. Hoewel ik me niet depressief voelde ben ik paroxetine (antidepressivum, red.) gaan slikken. Dat vond ik lastig te accepteren, maar het heeft me uiteindelijk wel geholpen.

“Ik heb altijd gedacht dat ik dat nooit zou durven vertellen, maar nu kan ik dat rustig doen.”

Opluchting

Voor mijn kinderen was het misschien wel zwaar. Waarom huilt mama, waarom is ze dan nu weer verdrietig? Ik stop het niet meer weg, nee. Maar ze zijn nog jong, de vragen over mijn ouders komen later misschien wel. Ik ben nu zelf vijfenvijftig, en dan is het raar om te beseffen dat ik dus zelf ook pas een jaar geleden mijn geheim heb blootgegeven. Ik heb jarenlang als hulpverlener anderen geanalyseerd, maar pas een jaar geleden mijn eigen verhaal over de suïcide van mijn vader toegelaten. Dat is een enorme opluchting. Ik heb altijd gedacht dat ik dat nooit zou durven vertellen, maar nu kan ik dat rustig doen.
In mijn werk is het wel lastig om zowel hulpverlener als patiënt te zijn. Er zijn collega’s die daar heel goed mee omgaan en steunen, maar er waren ook collega’s die gelijk niets meer tegen me gezegd hebben. Daar ben ik wel van geschrokken.

Ik zie de tekortkomingen, het klemzitten…

Ik ben ook nu nog af en toe boos op de instelling waar ik werk. Dan denk ik verdomme, jullie hebben mijn vader dood laten gaan en onze familie in de vernieling geholpen! Maar dat kan ik nu wel beter dragen. Ik zie de tekortkomingen, het klemzitten, dat men het antwoord niet altijd heeft. Dat we er gewoon verdomd weinig van afweten. En dat er – net als het zusje van Máxima – mensen zijn die niet genezen, wat men ook probeert… Over vijftig jaar komen we er misschien achter dat wat we nu doen helemaal niet goed is?

Twee van mijn zussen hebben er lang tegen gevochten dat ze zelf ook de manisch-depressieve gevoeligheid hebben, maar inmiddels een soort acceptatie gevonden. Ze hebben nu allebei hulp en zijn er heel erg open over. Dat maakt het wel veel makkelijker.

Dat ik mijn verhaal heb mogen vertellen, dat het er mag zijn, dat ík er mag zijn, dat voelt goed. Het geeft me vertrouwen en rust. Al ben ik na de EMDR-behandeling nog wel erg gevoelig voor stress. Het is allemaal niet weg, maar wel zoveel beter dan eerder. En mijn vader, moeder en mijn zussen; hoe boos ik ook was, ik ben nu enorm trots op ze.”

 

* De naam Yvonne is vanwege privacyredenen gefingeerd.