De keuze voor dwangsondevoeding is de moeilijkste die er is

Miranda* (43) werkt als psychiater op een afdeling waar jongeren met een eetstoornis zijn opgenomen. Vrijwel iedere dag heeft ze te maken met heftige problemen, daar kijkt ze niet meer van op. Aan het geven van dwangsondevoeding zal ze echter nooit wennen; de beslissing om daartoe over te gaan is één van de lastigste die zij moet maken. Dat doet ze altijd weloverwogen en in samenspraak met het team. Toch zijn er nog veel verbeterpunten. Miranda heeft hiervoor verschillende ideeën.

“Op de afdeling zien we jongeren die in levensgevaar verkeren. De lijdensdruk van de jongeren en hun ouder(s)/verzorger(s) is hoog. Dit heeft impact op ons als hulpverleners. Toch treedt ook in dit vak gewenning op. Het is daarom belangrijk dat je je blijft realiseren hoe ernstig de problematiek is. Je moet het kunnen onderscheiden van normaal. Soms moet je wel eens tegen jezelf zeggen ‘nee, het is niet gewoon om 34 kilo te wegen, het is gevaarlijk wat hier aan de hand is’. En omdat het zo gevaarlijk is, werken we dag en nacht om de patiënten buiten levensgevaar te brengen. Hierbij hoort het maken van lastige beslissingen.

“Het is noodzaak,

maar dat maakt het niet minder indrukwekkend”

Besluit tot dwangsondevoeding

De beslissing om over te gaan op dwangsondevoeding is ingewikkeld, daar denken we erg goed over na. Als jongeren bij ons binnenkomen, maken we op basis van het ondergewicht een inschatting voor een voedingsadvies. Volgt de jongere dit advies niet of in mindere mate, dan schatten we in hoeveel gevaar dit oplevert. Het standpunt zal altijd zijn ‘blijft er gevaar bestaan, dan gaan we over op dwangbehandeling’. Soms helpt het al als een jongere weet dat de mogelijkheid tot dwangsondevoeding bestaat. Met de motivatie om dit te voorkomen volgen zij het voedingsadvies. Sommigen blijven echter de adviezen weigeren. Als de situatie hierdoor te gevaarlijk wordt, moeten we ingrijpen. We kiezen dan nog niet direct voor dwangbehandeling met sondevoeding.

Eerst maken nog andere professionals een inschatting van het gevaar, bijvoorbeeld een kinderarts die lichamelijk onderzoek verricht. Daarnaast wordt labonderzoek uitgevoerd. Als de bloed- en glucosewaarden onder een bepaalde grens komen, ligt er een plan klaar waarvan dwangsondevoeding een onderdeel is. Door dit plan uit te voeren hopen we de jongere buiten levensgevaar te brengen. Omdat dwangsondevoeding traumatisch kan zijn en we de ontwikkeling zo min mogelijk proberen te hinderen, is het uitgangspunt voor dwangsondevoeding altijd ‘zo kort mogelijk’.

“De lijdensdruk die je ziet heeft impact op jou als hulpverlener”

Stoppen met dwangsondevoeding

Ik denk dat iedere hulpverlener zich wel afvraagt of het nog wel klopt dat we sondevoeding geven onder dwang. Door hier telkens opnieuw bij stil te staan, proberen we de dwangprocedure zo kort mogelijk te maken. Gelukkig gaan de meeste patiënten toch zelf eten volgens het voedingsadvies en kunnen zij stoppen met dwangbehandeling.

We proberen de jongeren altijd te ondersteunen door uitzicht te bieden op verandering. Voor de ene patiënt is dat toneel kunnen spelen, voor een ander schilderen en voor weer iemand anders is het vooruitzicht op een hond een goede motivator. Wij proberen hierin tegemoet te komen, want waarom zou je herstellen van je eetstoornis als je niets hebt waarvoor je dat doet? Helaas helpt dit niet voor elke patiënt. Een enkeling blijft hardnekkig weigeren om te eten. Vaak heeft dat zelfdestructieve gedrag voor hen een functie. Wij proberen erachter te komen wat deze functie is, en te werken aan de overtuiging dat het niet (meer) nodig is.

Verbeteringen in de zorg

Ik denk er regelmatig over na hoe de zorg voor eetstoornispatiënten verbeterd kan worden. Ten eerste lijkt het mij belangrijk dat de zorg voor deze groep jongeren flexibel is, afhankelijk van de situatie. Maar ook dat de zorg bereikbaar is en dat het aanbod voldoet. Ook moet het makkelijker over te dragen zijn tussen hulpverleners en zorginstellingen. Op die manier krijgt iedereen tijdig de juiste zorg wanneer dat nodig is.

Ziekenhuizen moeten ook een aanpak gaan hanteren die overal hetzelfde is. Hierdoor hoeven eetstoornispatiënten, die doorgaans veel onderling contact hebben, zich geen zorgen te maken dat ze in een ander ziekenhuis wellicht betere zorg zouden krijgen. En het zou mooi zijn als er met meer nuance naar dwangsondevoeding gekeken wordt. Want ja, het is heftig, maar soms is het de enige mogelijkheid om iemand in leven te houden. Ook voor de hulpverleners is het mentaal zwaar. Maar we doen het omdat we met elke patiënt het beste voor hebben.”

*Vanwege privacyredenen zijn namen en details aangepast