Ze gingen het gesprek niet aan en daardoor kwam ik niet tot mezelf

Als jongetje van zeven had Arend* (48) vaak surrealistische dromen. Overdag spookten die beelden door zijn hoofd en hij probeerde de dromen op te schrijven voor zijn ouders. Ze begrepen het niet en dachten dat hij gewoon wilde laten zien dat hij had leren schrijven. Arend wist toen echter zelf al dat hij anders was dan anderen. Toch was hij voor de rest van de wereld een normaal kind. Pas in zijn pubertijd kwam er van alles naar boven en kreeg hij last van psychotische verschijnselen. Dat ging van kwaad tot erger.

“Vanaf mijn twaalfde veranderde mijn leven ingrijpend. Het bedrijf van mijn vader ging failliet, we verkochten ons huis en vlak daarna gingen mijn ouders uit elkaar. Mijn moeder raakte overspannen en moest worden opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Rond die tijd kwam ik erachter dat ik op jongens viel. We woonden in een dorp en ik dacht dat ik de enige was die me zo voelde. Op mijn zestiende ging ik voor het eerst stappen in een grote stad in de buurt. Niet dat ik me ooit veroordeeld of gediscrimineerd heb gevoeld door mensen in mijn dorp, maar in de stad waren minder regels en de anonimiteit gaf me een vrijheid die ik in ons dorp niet vond.

“Ik voelde me minderwaardig vanwege mijn homoseksualiteit.”

Eerste opname

Door alle zorgen raakte ik overprikkeld en groeide mijn psychotische aandoening. Ik voelde me minderwaardig vanwege mijn homoseksualiteit en bovendien vond ik mezelf apart. Op mijn eenentwintigste had ik na een hectische periode in een manische staat een fles of iets dergelijks kapot geslagen en kwam ik met een bloedende hand in het ziekenhuis terecht. Ze verbonden me en ik mocht weer gaan, hoewel ik daar graag een nachtje had willen uitrusten. Ik dwaalde op straat rond in de waan dat ik een koning was. Tot de crisisdienst me met een ambulance ophaalde. Zo belande ik voor het eerst in een psychiatrische instelling.

Isoleercel

Ik dacht dat ik daar tot rust zou komen, maar mijn psychose werd alleen maar erger. Toen ik op de wc mijn verband eraf haalde en met de wc-borstel mijn bloed over de muur begon te smeren, greep de verpleging in. Ik kreeg medicijnen en werd kalmer. De volgende dag plaatsten ze me voor een tijd in de isoleercel. Dat was de hel. Je zit in een kamer zonder meubels en zonder iets om handen te hebben. Natuurlijk was het voor mijn herstel noodzakelijk om even helemaal geen prikkels te hebben. De negatieve impact van zo’n isoleercel werd echter niet goed genoeg meegenomen in de behandeling. Ze kwamen binnen, ik beantwoorde al hun vragen en ik dacht dat ik er dan wel uit zou mogen. Dat gebeurde niet. Ze gingen het gesprek niet aan om erachter te komen wat er met me aan de hand was. En daardoor kwam ik niet tot mezelf.

In een jongerengroep

Na de behandeling in die kliniek werd ik overgeplaatst naar een ziekenhuis bij mijn familie in de buurt en daarna zat ik een tijd op de resocialisatie afdeling. Het was prettig om mijn familie en vrienden om me heen te hebben, maar ik vond het ook saai. Dus toen ik op mijn vijfentwintigste de kans kreeg om naar de stad te verhuizen, greep ik die met beide handen. Een jaar later werd ik weer psychotisch en ging ik naar het ziekenhuis waar ik eerder ook opgenomen was. Ze konden of wilden me echter niet helpen en stuurden me weer naar huis. Uiteindelijk greep een vriend in en hij bracht me naar mijn moeder. Zo belandde ik in een instelling en daarna heb ik een tijd in een jongerengroep gewoond. Dat was goed voor me, want we deden allemaal leuke dingen samen.

“Door basiszaken op orde te brengen,
heb ik mezelf in mijn kracht gezet.”

Basiszaken op orde

Het gevoel van anders-zijn bleef echter. Ik vond het moeilijk dat ik geen relatie had, geen huis en geen baan. Het was alsof ik vastzat in de situatie. Tot ik besefte dat ik altijd een keuze heb en dat ik me niks hoef aan te trekken van wat anderen van mij denken. Binnen een jaar woonde ik zelfstandig en had ik een vriend. Toen dat uitging, kreeg ik weer een psychose en heb ik mezelf toegesproken. Ik ben heel bewust dingen gaan doen die goed voor me zijn, zoals mijn huis schoon houden, mijn financiën op orde brengen, contact met familie en vrienden onderhouden en werk zoeken. Door die basiszaken op orde te brengen, heb ik mezelf in mijn kracht gezet. Ik denk dat mijn herstel sneller was verlopen als iemand me had geholpen bij het vinden van een woonruimte en het kiezen van een studie of een baan.

Twee kanten

De hulp die ik kreeg had vaak twee kanten die niet altijd in evenwicht waren. Enerzijds hielpen de medicijnen, was het goed om even geen contact met familie te hebben en gaf de sleur van de ziekenhuisopname me de kans om tot rust te komen. Anderzijds verwijderde ik door die maatregelen ook verder van de buitenwereld. Ik denk achteraf dat die balans beter had gekund. Maar ik besef ook dat ik het verleden niet kan veranderen en ik heb er vrede mee hoe het is gegaan. Nu heb ik een eigen huis en zinvol werk. Ik schilder en ik schrijf verhalen. Ik draai mee in het normale leven waar ik zo naar verlangde.”

*Omwille van privacy zijn namen en herkenbare details aangepast.